|
Bé Ruys
Levenslopen zoals de hare, kunnen alleen maar ontstaan als gevolg van oorlogen, catastrophes, en door de grote verwachtingen die de 20e eeuw kenmerkten. Haar biografieBé Ruys werd op 27 oktober 1917 als eerste en enig kind van de dominee van Hoenderloo, Herrmanus Cornelis Ruys en zijn vrouw Wilhelmina Laura Barger, geboren. Te zelfder tijd vond in Rusland de Oktoberrevolutie plaats, die later een bepaalde plaats in Bé’s leven zou innemen. Haar vader was een sociaal zeer betrokken man. Hij zette zich o.a. in voor de verbetering van de slechte woonomstandigheden van de arme landarbeiders in zijn gemeente. Toen men hem daarvoor wilde eren, werd voorgesteld om een straat met nieuwe arbeiderswoningen naar hem te noemen. Daar voelde hij niet voor, maar hij stelde voor de straat dan liever naar zijn juist geboren dochtertje Elisabeth te noemen. Zo kreeg de Elisabethweg in Hoenderloo Bé’s naam. Haar vader stierf in 1925 op 47-jarige leeftijd na een lange zware longziekte. Bé was toen zeven jaar. Zij heeft zich altijd zeer verbonden gevoeld met haar moeder die in 1974 stierf. Bé ging in 1930 naar het gymnasium in Arnhem en deed in 1936 haar eindexamen. Gedurende een jaar volgde zij een opleiding voor christelijk-sociale arbeid en daarna studeerde zij theologie in Utrecht van 1937 tot 1941. Voor haar latere oecumenische ontwikkeling was de sociale gerichtheid en de internationale blik van haar ouderlijk huis belangrijk evenals de tijdens haar opleiding opgedane talenkennis. Zelfs nu nog kan zij midden in een gesprek van het Engels naar het Nederlands of het Duits switchen. Maar de ontmoeting met Hendrik Kraemer, die zij in 1937 in een zomerkamp van de NCSV voor het eerst persoonlijk ontmoette, was voor haar van beslissende betekenis. Kraemer was enige maanden daarvoor, na een verblijf van 12 jaar voor de zending in het toenmalige Nederlands Oost-Indië (het huidige Indonesië) in Nederland teruggekeerd en was tot hoogleraar aan de universiteit in Leiden benoemd. Met zijn ideeën over een gelijkwaardige dialoog tussen verschillende culturen en godsdiensten, verzette hij zich tegen de toenmalige koloniale zendingsen bekeringspraktijken. Na haar afstuderen was Bé actief in het gemeentewerk en vooral in het jeugdwerk in Arnhem, Diepenveen en Amsterdam. Ook na haar studie bleef zij actief in de NCSV, waarvan zij vanaf 1942 bestuurslid was. Tevens was zij actief in de Wereldfederatie van Christen-studenten. In die kringen heeft zij mensen leren kennen, docenten, mentoren en medestudenten, die de oecumenische beweging na 1948 op beslissende wijze hebben beďnvloed: Willem A. Visser ’t Hooft, Hans Hoekendijk, Hendrikus Berkhof, Heiko Miskotte en anderen. Een politiek ingrijpende gebeurtenis in haar jeugd was de Duitse bezetting van Nederland tijdens de 2e wereldoorlog. Op 10 mei 1940 vielen Hitler-troepen Nederland binnen. Op 17 april 1945 werd Velp, waar zij woonden, door de Canadezen bevrijd en op 5 mei 1945 was heel Nederland bevrijd. Vanaf de eerste dag van de bezetting was het voor Bé en haar vrienden vanzelfsprekend in verzet te komen tegen met name de jodenvervolging van de nazi’s en de NSB. Een vereniging als de NCSV werd liever opgeheven, terwijl men illegaal verder ging, dan dat gehoor werd gegeven aan de oproep joodse medestudenten of medewerkers aan te geven. Bé en haar moeder hebben tot aan het eind van de oorlog joden helpen onderduiken om ze daarmee voor deportatie en het concentratiekamp te behoeden. Bé vond dat niet heldhaftig, maar geheel vanzelfsprekend. Daarmee heeft zij niet steeds het doodsgevaar dat zij en haar moeder liepen voor ogen gehad, hoewel veel van haar vrienden en familie gevangen zijn genomen en weggevoerd, of gewoon op straat doodgeschoten. Direct na de oorlog organiseerde zij met vrienden en collega’s, naast haar werk voor de gemeente, uitwisselingen en bezoeken tussen Nederlandse studentenen jongerenpastores. Van januari tot maart 1947 kon Bé aan de eerste theologencursus van het oecumenisch studiecentrum in Bossey in Zwitserland deelnemen. Dit centrum was door Visser ’t Hooft gesticht en werd door Kraemer geleid. Deze maanden ziet zij, nu terugkijkend, als het begin van haar oecumenisch engagement. In mei 1947 nam zij deel aan een jeugdleidersconferentie in Bad Boll en werd daarna voor een bezoek aan Berlijn uitgenodigd. Daar begon haar beslissingproces om eventueel in Berlijn te gaan werken. In augustus 1948 maakte zij als ‘stewardess’van de Nederlandse kerken, de oprichting van de Wereldraad van Kerken in Amsterdam mee. De scherpe controverse tussen John Foster Dulles enerzijds, en Josef L. Hromadka anderzijds ervoer zij als een persoonlijke uitdaging om in de koude oorlog voor het socialistisch alternatief te kiezen. Zij besloot om in opdracht van de Oecumenische Raad van Kerken, en daarvan de afdeling interkerkelijke hulp en vluchtelingenwerk, respectievelijk de commissie ‘fraternal workers’, naar Berlijn te gaan. Voor een jaar. In september 1949 kwam zij in Berlijn aan en op 30 oktober van dat jaar had zij met de in oprichting zijnde Nederlandse Gemeente, haar eerste kerkdienst in de Deense kerk aan het Anhalter Bahnhof. Deeluitmakend van een internationaal team van jeugdpredikanten in Berlijn, begon zij met haar werk voor Berlijnse kinderen en jongeren. De meesten van hen groeiden zonder vader op, zij hadden honger, hadden kleren nodig, en leefden tussen het puin en de ruďnes. Erger nog was de geestelijke ruďne in hun hoofd, de resten van de nazistische heersers-ideologie die opgeruimd moesten worden om deze jongeren de kans te bieden op een door hen zelf te bepalen levensrichting in vrede, vrijheid en democratie. Bekering was daar niet aan de orde. Deze kinderen omtmoetten daar voor het eerst in hun leven mensen uit een land dat hun vijand was, die nu als partner hen de hand reikten. Daarnaast ontwikkelde er zich voor Bé een tweede werkgebied: het oecumenische werk dat in toenemende mate haar levenswerk zou worden. Het ging erom de Duitse kerken, die 12 jaar geďsoleerd waren geweest, weer bij de oecumene te betrekken en hen op hun oecumenische taken voor te bereiden. Bé kreeg het voor elkaar de leiding van het oecumenisch instituut in Bossey en hun docent Hendrik Kraemer, ervan te overtuigen dat zij niet alleen in Zwitserland, maar ook in Berlijn cursussen moesten geven. Want met name de Berlijners en de Oostduitsers, konden vanwege financiële en politieke redenen moeilijk aan bijeenkomsten in Zwitserland deelnemen. Tussen 1950 en 1970 hebben er bijna 100 Bossey-cursussen en bijbelweken met gemiddeld 40 tot 50 deelnemers in Berlijn plaatsgevonden. Samen met Hendrik Kraemer, Suzanne de Dietrich, Ilse Friedeberg en anderen, heeft Bé ervoor gezorgd dat geďnteresseerde jonge mensen, studenten en jeugdpredikanten, voor het eerst van hun leven de oecumene opsnoven. Bijna de hele oecumenische generatie van de kerken in de DDR, heeft zijn eerste ervaringen op deze bijeenkomsten opgedaan. En voor de kerken in de DDR was het levensnoodzaak om via deze generatie in staat en bereid te zijn oecumenische medeverantwoordelijkheid te dragen. Een derde werkveld van Bé, dat zij niet zelf had uitgezocht en waaraan zij, toen zij startte helemaal niet gedacht had, maar dat door de geëngageerde Nederlandse consul Millenaar aan haar toegeschoven was, was het pastorale werk ten behoeve van de in Berlijn en de Oostduitse omgeving wonende voormalige Nederlandse dwangarbeiders. Deze waren door de nazi’s tussen 1940 en 1944 als arbeidskrachten naar Duitsland gehaald en hadden daar onder ellendige omstandigheden in de wapenindustrie gewerkt. Na 1944 hadden zij reden om in Duitsland te blijven, bijvoorbeeld omdat zij getrouwd waren met een Duitse vrouw, maar ook op grond van andere omstandigheden. In Nederland was er überhaupt geen belangstelling voor deze mensen, maar in Berlijn hadden zij steun nodig, troost en warmte. Die vonden zij in de Nederlandse gemeente in oprichting, bij Bé. Velen van hen heeft zij tientallen jaren, tot aan hun dood begeleid. Het lukte Bé en haar ieder jaar wisselende Nederlandse medewerkers, de kinderen van deze toenmalige dwangarbeidersgezinnen, die ondertussen in de DDR woonden, ieder jaar een keer met vakantie naar Nederland te laten gaan, zodat zij zo het land van afkomst van hun vader konden leren kennen. Dat vroeg van Bé en haar medewerkers behendig onderhandelen met de DDR-autoriteiten want privé-reisjes naar het westen waren voor de DDR-burgers als regel niet toegestaan. Bé liep spitsroeden langs hetgeen wettelijk toegestaan was, als zij haar vele vrienden in de DDR boeken wilde bezorgen of om de daar wonende oud-dwangarbeiders een uitreisvisum in hun Nederlands paspoort te bezorgen. Daarbij maakte zij gebruik van het feit dat zij en haar medewerkers over een Nederlands paspoort beschikten waardoor zij altijd de DDR binnenkonden, ook toen na 1961 alle verbindingen tussen beide stadsdelen verbroken waren. Uit het werk voor de oud-dwangarbeiders vloeide een vierde zwaartepunt van haar werk voort: de oprichting van de Nederlandse Oecumenische Gemeente. Nadat reeds in de jaren dertig Heinrich Grüber een poging had ondernomen, en na voldoende voorwerk sinds 1949, vond op 21 maart 1954 de feestelijke oprichting plaats, en werd Bé als eerste vrouw in de Hervormde Kerk bevestigd en als predikant van de gemeente benoemd. Deze gemeente bestaat nog steeds. Hij bestaat uit een voor iedereen open, zeer levendige, broederlijke en solidaire kring mensen. In deze oecumene wordt heel praktisch en medemenselijk met elkaar omgegaan. Toen het na de oprichting van de muur in 1961 niet meer mogelijk was bij elkaar te komen, lukte het Bé in taaie onderhandelingen met de DDR-autoriteiten, tot de oprichting van een eigen gemeente in Oost Berlijn te komen. Een vijfde werkveld van Bé kwam voort uit de positie van West Berlijn: het vluchtelingenwerk, dat voor haar nauwe contacten met kerkelijk vluchtelingenwerk en met hulpdiensten met zich meebracht. De doelgroepen van dit werk zijn door de tijd heen verschoven. Ging het in de jaren vijftig vooral om vluchtelingen uit de DDR, in de jaren zeventig ging het om vluchtelingen uit de derde wereld, slachtoffers van oorlogsgeweld, en asylzoekers. Al deze werkvelden die ieder voor zich al de hele inzet en tijd van iemand zouden vragen, kon Bé alleen behappen door talrijke medewerkers, vooral uit Nederland, die voor een bepaalde tijd naar Berlijn kwamen, evenals door een hele schare van Rode Engelen, tijdelijke medewerkers uit diverse landen. Haar toenmalige medewerkers, vrienden en metgezellen uit vele landen, schrijven haar nu brieven. Door haar oecumenische inzet heeft Bé ontelbare reizen naar conferenties over de hele wereld ondernomen en daar voordrachten gehouden. Tot op de huidige dag heeft zij daar overal vrienden en bekenden. Een bijzonder reisdoel was haar jaarlijkse deelname aan de vergaderingen van het Centraal Comité van de Wereldraad van Kerken, die meestal in Genčve worden gehouden. Het Hendrik Kraemerhuis gold lange tijd voor de medewerkers van de Wereldraad als een soort dépendance in West Berlijn. Daar werden zij op deskundige wijze en uit de eerste hand geďnformeerd over de feitelijke positie van de kerken in de DDR en Oost Europa. Andere bijzondere doelen van Bé’s reizen waren namelijk de DDR, Tsjechoslowakije, Hongarije, Polen de de Sovjet-Unie. Zij heeft in verschillende boeken die zij met Nederlandse of Tsjechische collega’s schreef of uitgaf, informatie verschaft over het kerkelijk leven in die landen, en zich daarmee duidelijk uitgesproken tegen de vaak gebruikelijke anti-socialistische cliche’s. Daarmee heeft zij in het westen niet alleen maar vrienden gemaakt. Zij is echter – vanuit haar jeugdervaringen met het fascisme en vanuit haar oecumenische ervaring – socialist geworden. Tot op de huidige dag is zij ervan overtuigd dat er een alternatief moet zijn voor de huidige maatschapij waarin geld en winsten domineren. Niet uit goedkoop optimisme, maar vanuit een niet te blussen hoop, noemt Bé altijd weer “De rijke christenen en de arme Lazarus” als thema voor kerk en maatschappij. Dat was dan ook het onderwerp van de oecumenische bijeenkomst in Berlijn ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag in 1992. Bé Ruys heeft de langste tijd van haar leven in de Limonenstrasse 26 in Berlijn-Dahlem gewoond. Sedert 1959 heette dat huis Hendrik Kraemerhuis, waarvoor Kraemer zijn toestemming gaf. Toen Bé daar in 1950 introk, woonde daar nog de weduwe van Jens Jessen, een aanvankelijk overtuigd nationaal-socialist die zich later tegen Hitler keerde en die deel uitmaakte van de groep die op 20 juli 1944 een aanslag op Hitler pleegde. Hij werd terechtgesteld. Sinds 2002 woont Bé met de Nederlandse Gemeente en het Hendrik Kraemerhuis in Berlijn-Kreuzberg. Als ze uit het raam kijkt ziet ze het Joods Museum, de hoge Springerflat, en de televisietoren. Vlak bij haar huis bevindt zich de “topografie van de terreur”, het Checkpoint Charlie. Een lange rij tegels op straten en wegen markeren het trace van de muur. Bé woont temidden van en met al deze stenen getuigen van een eeuw die haar leven bepaalde. LiteratuurGerard Minnaard en Wilken Veen (red.) In dat huis daar woont een vrouw, Feestbundel voor Be Ruys, Uitg. Narration, Gorinchem 1992 Horst Dohle, Joachim Heise, Rimco Spanjer (Hrsg.), Der Geschichte ins Gesicht sehen, Zum 80. Geburtstag von Be Ruys, Rothenburg o.d.T. 1997 |
|